Het is zo’n typisch Frans dorpje aan een Route Nationale. Er is een poging gedaan om het verkeer af te remmen door een stoplicht. Niets zo frustrerend om te wachten voor een rood stoplicht in een uitgestorven straat. Het is lunchtijd, we hebben honger en in het plaatselijke bar-restaurant verkopen ze stokbroodjes.
Binnen zit de eigenaar met zijn vrouw en moeder aan een tafeltje in de hoek. Het hangt blauw van de sigarettenrook. Blijkbaar rookt de plaatselijke gendarme.
Het wachten op klanten heeft de drie geen goed gedaan. De stoel is rijkelijk te klein voor de dikke benen van de man en de vrouwen zien grauw van de nicotine en een overdosis koffie.
De grote eetzaal staat vol met gedekte tafels. Het groen van de servetten steekt onder de rand van de borden donker af en op de borden ligt een grauwsluier van stof.
De zaak leeft op als we binnenkomen. Moeder vertrekt, de vrouw komt zuchtend overeind en sleept zich nog een keer naar het Senseo-apparaat -wat ze tijdens ons verblijf nog een keer of 5 herhaalt- en de man duikt op Zara. ‘Ah, un boorder kollié’ roept hij verheugd uit. Heeft ze honger? En voor ik iets kan zeggen verdwijnt hij in de keuken en komt terug met een bord vol plakjes andouillette. Zara heeft een nieuwe beste vriend.
We installeren ons aan de bar en bestellen onze stokbroodjes. De man verdwijnt in de keuken en gaat aan de slag, regelmatig informerend wat wij behalve worst nog meer op ons broodje blieven, augurkjes? Tomaat? Ei? De vrouw bladert in een beduimelde ‘Femme Actuelle’.
Boven de bar staat het drankaanbod uitgestald. In de maatjes op de sterke drankflessen zitten restjes drank gekleefd, die van de gele drankjes zijn oranje geworden, die van de groene blauwachtig. De drankflessen met room probeer ik angstvallig uit mijn blikveld te houden. De sapflesjes zijn al jaren niet meer voor consumptie geschikt. De appelsap, de sinaasappelsap, ze hebben allemaal dezelfde grijsgele kleur gekregen en vaag is op het etiket nog te zien wat erin zou moeten zitten.
Twee halve meters stokbrood dik belegd met boter en worst arriveren. Of Zara nog een lekker bordje pensworst wil. Ongetwijfeld, maar een bloemrijke beschrijving van de laatste kotspartij in de auto, doet de man overtuigen dat het niet hoeft.
We praten over de wonderlijke verandering van het weer, van winters koud is het in een uur tijd omgeslagen in zomers warm, en de toestand in het dorp. Er blijkt veel te worden gescheiden. Daardoor staat er veel te koop. Of wij nog mensen weten die een huis zoeken?
De man heeft zijn roeping gemist, er volgt zo’n enthousiaste beschrijving van huizen, dat we bijna zin krijgen om er een te kopen. Zelfs het nadeel van de weg weet de man om te draaien in een voordeel: de weg is ‘s nachts stil en komt nooit klagen, een betere buur kun je niet hebben.
We moeten weer verder maar kunnen niet vertrekken zonder te beloven dat we bij twee huizen gaan kijken.
Als we een paar uur later terugrijden, hebben de man en de vrouw hun rookplek verplaatst naar het hek voor hun bar. We zwaaien. Ze herkennen ons niet.
















